De PvdA vindt dat bedrijven maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen.
Ondernemen is gericht op winst maken, maar tegelijkertijd leveren deze bedrijven
een dienst of product aan de samenleving. Bij Maatschappelijk Verantwoord
Ondernemen (MVO) gaat het niet alleen om de reputatie, maar om het complete
beleid van een bedrijf en hoe het product tot stand komt. De PvdA ondersteunt de
wereldwijde roep om MVO.
Woordvoerder
Pauline Smeets
Tweede Kamerlid
Ondernemerschap en economie
Economisch relevant vervoer
070-3182771
De PvdA vindt dat bedrijven minimaal horen te voldoen aan de
OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Hierin staan de basisnormen
voor arbeidsomstandigheden, mensenrechten en milieu verwoord. Deze richtlijnen
zijn vastgelegd in internationale verdragen. Ook openheid en transparantie over
de wijze van produceren zijn nodig. Pas als consumenten duidelijkheid hebben
kunnen ze verantwoord kiezen.
Deelname aan handel in ‘conflictdiamanten’ die burgeroorlogen in Afrika in
stand houden, het misbruik maken van kinderarbeid, het gebruik van wrakkige
olietankers voor goedkoop vervoer: het zijn voorbeelden van maatschappelijk
onverantwoord ondernemen. Ook het gedrag van dochterondernemingen en
toeleveranciers en de verantwoordelijkheid die een bedrijf daarvoor heeft, telt
mee.
Veel bedrijven zijn goed op weg, maar veel is nog te vrijblijvend. Er zijn
internationale richtlijnen en gedragscodes, maar er bestaat veel te weinig
openbaarheid over de naleving door multinationals van bijvoorbeeld basisrechten
zoals door de OESO opgesteld. In de praktijk zijn de resultaten van
zelfregulering te mager. De PvdA wil hardere afspraken over naleving en
rapportage.
Steeds meer bedrijven die MVO serieus nemen roepen op tot een ‘level playing
field’ waarbij de regelgeving voor bedrijven gelijk is. De PvdA doet een oproep
tot een MVO-code à la de code Tabaksblat. Deze code zou moeten werken volgens
het principe ‘comply or explain’. Bedrijven kunnen dan in openheid laten zien
aan welke normen zij voldoen en kunnen uitleg verschaffen wanneer ze tekort
schieten. Dan kunnen consumenten, aandeelhouders en belangenorganisaties hun
eigen oordeel vormen.
Het zonder meer opleggen van gewenst gedrag is te beperkend. Niet alle
bedrijven opereren in dezelfde omgeving en onder dezelfde omstandigheden.
Context, omgeving en issues lopen enorm uiteen: van milieu tot mensenrechten,
van conflictdiamanten tot koffie. Het een is niet eenvoudig met het ander te
vergelijken. Wel moeten bedrijven verantwoording afleggen. We moeten de
groeiende interesse in MVO blijven stimuleren.
Om voorlopers binnen het bedrijfsleven aan te moedigen en achterblijvers aan
te sporen tot een fatsoenlijk sociaal en duurzaamheidbeleid, is vanuit de
overheid een combinatie nodig van positieve prikkels, sancties en regelgeving.
De overheid zet zich in voor uitbreiding van de mogelijkheden om
extraterritoriale schendingen van mensenrechten door Nederlandse bedrijven
(zoals dwangarbeid of kinderarbeid) strafrechtelijk te vervolgen.
Het is onacceptabel dat Nederlandse banken investeren in bedrijven die
betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen. Ik ga ervan uit dat de betrokken
ministers deze mening delen en heb hen dat voorgelegd naar aanleiding van de
publicatie van de vierde editie van de
'Eerlijke
Bankwijzer'. De conclusie van dit onderzoek van Amnesty International, FNV
Mondiaal, Oxfam Novib, Milieudefensie en de Dierenbescherming luidt
dat
banken olie- en mijnbouwbedrijven onvoldoende aanspreken over hun betrokkenheid
bij mensenrechtenschendingen. De PvdA vindt dat financiële instellingen
volledig en voldoende moeten rapporteren over maatschappelijk verantwoord
ondernemen en investeren.
Vandaag debatteert de Tweede Kamer over maatschappelijk verantwoord
ondernemen. De PvdA pleit voor maatregelen om maatschappelijk verantwoord
ondernemen breder te stimuleren:
Het Nederlandse bedrijfsleven gaat te weinig na of producten van buitenlandse
leveranciers het resultaat zijn van kinderarbeid of andere overtredingen van
internationale mensenrechten-, arbeids- of milieunormen. daarom onderzoek ik of
Nederlandse bedrijven aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schendingen door
hun buitenlandse dochters.