Scholen zijn meer dan les en leerstof. Scholen vormen een gemeenschap. Met
een hart en een ziel. Scholen kunnen in jonge mensenlevens een cruciaal verschil
maken tussen levens met of zonder kansen. Nee, de overheid is geen
geluksmachine. Maar het onderwijs, cruciaal onderdeel van onze publieke sector,
kan mensen in staat stellen de machine te bedienen. Docenten zijn daarin de
cruciale factor. Dat zei ik bij de opening van de Nationale Wiskunde Dagen 2012,
in Noordwijkerhout.
Hier mijn speech bij de opening van de Nationale Wiskunde Dagen 2012:
'In de eerste klas van het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden maakte ik kennis
met meneer Hoepman. Een lange man met een wat merkwaardig baardje en een
motoriek met het ritme van zijn achternaam. Ik denk niet dat ik hem ooit heb
zien stilstaan. Voor de klas hupte Hoepman van het ene been op het andere,
ondertussen vertellend over assenstelsels, asymptoten en reële getallen. In zijn
streven om ons de passie voor wiskunde bij te brengen roteerde en transleerde
hij niet alleen de figuren op het bord maar menigmaal ook zichzelf. En met
succes. Meneer Hoepman boorde een ongekende nieuwsgierigheid in mij aan. Zijn
meeslepende manier van vertellen en uitleggen maakte me gretig naar nieuwe
vraagstukken, nieuwe oplossingen. Hoepman maakte van de Wiskunde dat heerlijke
doolhof waarbij om iedere hoek het inzicht iets verder groeide en het einde
nooit bereikt wordt.
Ik herinner me hoe hij me uitdaagde om een patroon te vinden in de reeks
priemgetallen. Door op de net door de school aangeschafte Acorn Electron
HomeComputer de pixels van het beeldscherm, meer dan 200.000, te nummeren en dan
de priemgetallen 2,3,5,7,11,13,17 etc. geel te maken. De kunst was om voor de
nummering iedere keer een ander patroon te kiezen: van links naar rechts,
diagonaal, zigzag, in concentrische cirkels etc. Als de gele pixels in dat
patroon lijnen vormden dan had ik een reeks ontdekt. Eindeloos probeerde ik de
mogelijkheden uit; leerde programmeren, leerde algoritmes bedenken, leerde alles
van cijferreeksen, leerde de essentie van priemgetallen, en vond uiteindelijk
natuurlijk geen patroon.
Hoepman was ook conrector en druk met andere zaken. Vanaf klas vijf kregen we
dus een andere wiskundeleraar. Ongeïnspireerd werkte hij de lesstof door; of
eigenlijk, liet hij ons de lesstof doorwerken. Geen toelichtingen, geen
beeldende verhalen om de formules heen, geen voorbeelden van toepassingen om
abstracte vergelijkingen hun betekenis te geven in de werkelijke wereld. De
prachtige wiskunde die Hoepman ons in vier jaar voorschotelde verloor in twee
jaar al zijn glans, zoveel dat ik – toch een volbloed bèta – er zowaar een hekel
aan kreeg. Twijfelde ik in klas vier nog tussen een mogelijke studie wiskunde of
natuurkunde, in klas zes was de keus helder: natuurkunde. Om vervolgens in Delft
erachter te komen dat de studie natuurkunde de eerste twee jaar volledig bestaat
uit wiskunde. Gelukkig had vier jaar Hoepman me net voldoende drijfvermogen
bezorgd om me daar met succes doorheen te slaan.
Leraren kunnen het verschil maken. Soms een marginaal verschil, de vraag of
een jongen uit Leeuwarden uiteindelijk technische wiskunde, of technische
natuurkunde gaat studeren. Soms ook een veel groter, een levensgroot, verschil.
Om dat laatste te illustreren neem ik u even mee uit het lieflijke Leeuwarden
van de jaren tachtig van de vorige eeuw, naar de hardere werkelijkheid in het
Amsterdam-West van nu. Daar surveilleerde ik als straatcoach het afgelopen jaar
rondom om de VMBO-school het Huygenscollege, om na schooltijd de hangende jeugd
te weerhouden van overlast. Een van de moeilijkste onder hen was Ilias. Uren na
schooltijd nog hangend, chillend, drinkend, schreeuwend en soms vechtend met
andere jongens op straat rondom het Huygenscollege. Tot vlak na het begin van
het nieuwe schooljaar. Opeens verdwenen. Ja, hij was er nog wel maar pakte
steevast na school meteen de tram op weg naar huis. Nieuwsgierig naar de reden
van de plotselinge gedragsverandering sprak ik hem een middag aan. Het verhaal
was even wonderlijk als hoopgevend. Ilias had in het nieuwe jaar een nieuwe
wiskundedocent gekregen. Ik heb zijn naam nooit achterhaald, maar het was de
Hoepman van het Huygenscollege. Hij had Ilias geïnspireerd tot een ontdekking:
dat 'ie goed was met cijfers. Dat 'ie het leuk vond. En nu wist Ilias het: hij
wilde doorleren na het Huygens. MBO-3 of 4, of zelfs HBO wilde hij halen,
accountant worden. Van vervelend straatschoffie tot jongen met een toekomstplan.
De Wiskundedocent van het Huygenslyceum had in zijn eentje voor elkaar gekregen
wat een batterij welzijnswerkers en een halve justitieketen nooit was gelukt.
Er zijn mensen die denken dat een school niet meer is dan een stapel
klaslokalen. Die menen dat onderwijs slechts gericht is op het halen van
cijfers, toetsen en examens. Die zich verlaten op het feit dat het verschil
tussen een goede en een slechte school wordt bepaald door het didactisch
concept, het aantal afgegeven diploma’s.
Hoepman en de wiskundeleraar van het Huygencollege bewijzen hun groteske
ongelijk. Scholen zijn meer dan les en leerstof. Scholen vormen een gemeenschap.
Met een hart en een ziel. Scholen kunnen in jonge mensenlevens een cruciaal
verschil maken tussen levens met of zonder kansen. Nee, de overheid is geen
geluksmachine. Maar het onderwijs, cruciaal onderdeel van onze publieke sector,
kan mensen in staat stellen de machine te bedienen. En u, docenten, bent daarin
de cruciale factor.
Dames en heren, u bent mijn hoop in deze dagen. Wanneer u de kranten open
slaat of de TV aanzet leest en ziet u politici die roepen om meer geld, meer
ziekhuizen, minder bonussen, beter toezicht op banken, meer windmolens en
zonnepanelen, meer gevangenissen of meer agenten. Allemaal legitieme wensen.
Maar wat dit land echt nodig heeft zijn meer Hoepmannen, meer docenten als die
van het Huygenscollege. Ik heb u nodig. Onderwijzers die het verschil maken in
het leven van jonge mensen, hen inspiratie geven, de nieuwsgierigheid wakker
maken, ze hongerig maken naar meer kennis. Ik het onderwijzers nodig die een
nieuwe generatie klaarstomen voor de toekomst, hun toekomst.
Ik doe deze oproep als politicus, maar misschien nog wel meer als vader. Ik
heb een zoontje van 5 en een dochter van 10. De toekomstige generatie waar ik
als politicus vaak in algemeenheden over spreek, heeft voor mij als vader twee
heel concrete gezichten. Dat motiveert enorm. Klimaatverandering, oprakende
energievoorraden, armoede, honger en oorlog: het moet allemaal opgelost zijn
voordat mijn kinderen groot zijn; ik wil ze over 25 jaar recht in de ogen kunnen
kijken.
Maar ik realiseer me ook dat het zo niet zal gaan. Hoe succesvol ik als
politicus of ook ben met de aanpak van die problemen – en op dat succes valt nu
al veel af te dingen - over 25 jaar zijn ze niet geheel verdwenen en er zijn
ongetwijfeld nieuwe bijgekomen. Hoezeer wij ook ons best doen, en dat moeten we,
ook de komende generatie zal nog veel voor zijn kiezen krijgen. Onze problemen
zijn immers niet van gister en ze zullen morgen niet verdwenen zijn.
Het belangrijkste dat wij dus moeten doen is onze kinderen in staat stellen
deze problemen te lijf te gaan. Met méér kennis en méér mogelijkheden dan wij
tot onze beschikking hadden.
Zodat zij de schone technologie uitvinden die wij nog niet konden bedenken; de
economische welvaart eerlijker verdelen dan wij konden opbrengen, de
vredesakkoorden sluiten waar wij nog niet aan toe waren. De belangrijkste
bijdrage die wij dus kunnen leveren aan een duurzame toekomst voor onze kinderen
is hen excellent onderwijs mee te geven. Één Hoepman maakt meer verschil dan
duizend windmolens.
En ik ben dankbaar dat u hier in deze zaal zit. Dat betekent dat u onze
Haagse bemoeienis met uw werk, tot nu toe goed heeft doorstaan. En dat zal niet
altijd eenvoudig zijn geweest. Ik kan u verzekeren, die Haagse bemoeienis was
zonder uitzondering, nou ja, bijna zonder uitzondering, met de beste intenties,
met het ideaal van een beter onderwijs in het hoofd. Maar de pijnlijke
zelfreflectie die wij als politiek en vooral als PvdA via het parlementair
onderzoek van mijn collega Jeroen Dijsselbloem hebben ondergaan, heeft tot de
onmiskenbare conclusie geleid dat de gekozen middelen om dat ideaal te bereiken
te vaak een complete misser waren. De basisvorming werd te snel ingevoerd, de
vorming van grote scholengemeenschappen was geen zegen voor het onderwijs en we
hebben spijt als haren op het hoofd van de opheffing van vele categorale
scholen. Ik zal deze opening van de Nationale Wiskundedagen verder niet vullen
noch bederven met een uitgebreide analyse van dat parlementair onderzoek maar
volsta met de belangrijkste conclusie: wie kinderen via onderwijs gelijke kansen
wil bieden moet geen gelijke uitkomsten nastreven. Kinderen zijn verschillend,
en iedere poging om die enorme diversiteit door de eenheidsworstendraaier te
halen miskent die verschillen. Wie de beweeglijkheid van Hoepman in een
keurslijf perst, slaat de inspiratie uit het systeem.
Dat we lessen hebben geleerd, betekent niet dat we geen nieuwe fouten zullen
maken. Op dat punt kan ik u niets beloven. Maar ik kan en wil u wel beloven dat
ik mijn uiterste best zal doen om het onderwijs in Nederland te brengen en te
houden daar waar het hoort: op topnivau. En als het wiskundeonderwijs daar dan
nog eens bovenuit springt, zou dat deze rasechte Bèta nog eens extra gelukkig
maken.
Als u mij dan belooft om de eer van Hoepman hoog te houden en al uw kennis,
energie en creativiteit in te zetten om onze kinderen de vaardigheden en vooral
de nieuwsgierigheid en inspiratie bij te brengen die ze in staat stelt de
toekomst te lijf te gaan, dan laat ik u nu beginnen met het echte programma en
open ik hierbij de Nationale Wiskundedagen 2012.'
Hier kan je je commentaar kwijt