Bij de Financiële Beschouwingen heb ik een koopkrachtberekening voor
verschillende gezinnen voorgelegd aan de minister van Financiën. De
uitkomst (pdf), die de minister heeft
erkend, was wellicht niet verrassend maar wel schokkend. Het rijke gezin ging er
slechts 2,3% op achteruit, terwijl het gezin met een laag inkomen er veel meer
op achteruitgaat. Een gezin met een middeninkomen is helemaal de klos en gaat er
7,2% op achteruit.
Zo gaat dit kabinet om met de hardwerkende Nederlanders waar het voor op zegt
te komen. Dit is niet ons Nederland, waar de sterkte schouders de zwaarste
lasten dragen en we de rekening van de crisis niet neerleggen bij gewone
gezinnen, zoals Rutte doet.
Ik legde de minister een koopkrachtberekening voor vier gewone gezinnen voor.
Alle vier met drie jonge kinderen, de man werkt fulltime, de vrouw -die
regelmatig fysiotherapie nodig heeft- in deeltijd. Er zit maar één verschil
tussen de gezinnen: het inkomen. Het ene gezin verdient 25.000 per jaar, twee
andere 50.000 (een leraarsgezin en een gezin waarvan de man in een bedrijf
werkt) en het vierde gezin verdient 200.000 per jaar.
Het rijke gezin gaat er slechts 2,3% op achteruit. Het gezin waarvan de
ouders in een bedrijf werken verliest 4,9% aan koopkracht. Het gezin met 25.000
ziet de koopkracht dalen met 6,1%. Hekkensluiter is het gezin waarvan beide
ouders leerkracht zijn: zij zullen het volgend jaar moeten doen met 7,2%
koopkrachtverlies (dat komt door de zogenoemde nullijn voor leraren).
Hier kan je je commentaar kwijt